Bahá’u’lláh, de grondlegger van het bahá’í geloof, is geboren in Teheran als Mírzá Husayn-‘Alí (1817-1892). Zijn komst werd aangekondigd door Siyyid ‘Alí-Muhammad (1819- 1850), afkomstig uit Shíráz en bekend onder de titel de Báb (= Poort). In 1844 maakte de Báb er aanspraak op de heraut te zijn die de komst moest aankondigen van en de weg bereiden voor degene wiens zending het tijdperk van Goddelijke gerechtigheid en vrede zou inluiden; een tijdperk dat moet worden beschouwd als de vervulling van alle voorgaande Goddelijke beschikkingen en het begin van een nieuwe cyclus in de godsdienstgeschiedenis van de mensheid.
Bahá'u'lláh maakte zijn missie bekend in 1863. Hij werd gevangen gezet in Teheran. In 1852 werd hij uit zijn geboorteland verbannen naar Bagdad, vervolgens naar Constantinopel (Istanbul), Adrianopel (Edirne) en ten slotte naar de gevangenisstad Akka (Israël), waar hij vierentwintig jaar opgesloten en onder staatstoezicht verbleef, totdat hij in 1892 overleed. In de loop van zijn ballingschap, in het bijzonder in Adrianopel en Akka, formuleerde hij de wetten en verordeningen van zijn openbaring, beschreef in meer dan honderd werken de beginselen van zijn geloof en verkondigde zijn boodschap in rechtstreekse zendbrieven aan de wereldlijke heersers en de geestelijke leiders van onder ndere het christendom en de islam. Bahá’u’lláh maakt er aanspraak op met zijn openbaring de profetieën te vervullen van zowel het oude en nieuwe testament als van de koran en de heilige geschriften van de andere openbaringsgodsdiensten.
Volgens deze profetieën zal ‘in het einde der dagen’ een alomvattende manifestatie van God verschijnen. Zijn zending leidt een nieuwe cyclus van Goddelijke openbaring in en opent een nieuw tijdperk in de ontwikkeling der mensheid, waarin vrede en universele eenheid der mensheid zal worden gevestigd.
Heilige geschriften:
De heilige geschriften van alle grote godsdiensten, met inbegrip van het oude en het nieuwe testament, de koran en de geschriften van de Báb, worden door de bahá’ís geëerd en in hun huizen van aanbidding gelezen. De geschriften van Bahá’u’lláh worden als Gods openbaring voor deze tijd beschouwd. De principes en wetten in deze geschriften zijn bindend tot de verschijning van de volgende manifestatie van God, over tenminste duizend jaar.
Bahá’í bestuursstelsel:
De internationale bahá’í gemeenschap wordt geleid door het Universele Huis van Gerechtigheid in Haifa (Israël), een door Bahá’u’lláh ingestelde instelling die eenmaal in de vijf jaar gekozen wordt door alle Nationale Geestelijke Raden in de hele wereld, die op hun beurt eens per jaar worden gekozen.
De bahá’í wereldgemeenschap is sinds 1947, onder de naam Bahá’í International Community (BIC) geaccrediteerd bij de Verenigde Naties als internationale non-gouvernementele organisatie (NGO) en bezit een consultatieve status bij ECOSOC en UNICEF.
No comments:
New comments are not allowed.